Bomen door de tijd: van ijstijd tot exoten

Bomen door de tijd: van ijstijd tot exoten

Met inspiratie uit de bomenwandeling van NatuurWijchen op 25 april

14 mei 2026

Op 25 april liep ik mee met de bomenwandeling van NatuurWijchen, dwars door het centrum van Wijchen. Tussen klinkers, gevels en winkelstraten bleek een verrassend rijk bomenverhaal verborgen te liggen. Terwijl we langs oude eiken, jonge aanplant en vergeten soorten liepen, werd ik opnieuw herinnerd aan hoe weinig we eigenlijk zien wanneer we naar een boom kijken. 

Eén opmerking tijdens de wandeling bleef bijzonder hangen: hoe groot het verschil is tussen inheemse en niet‑inheemse bomen als het gaat om het aantrekken van insecten. Een zomereik kan meer dan 400 insectensoorten ondersteunen, terwijl een Amerikaanse eik soms niet verder komt dan een paar tientallen. Dat ene feitje maakte zichtbaar hoe diep de geschiedenis van bomen verweven is met die van het landschap — en hoe elke soort zijn eigen ecologische verhaal meebrengt.

Die gedachte vormde de aanleiding voor dit artikel: een reis door de tijd langs de bomen die Nederland hebben gevormd. 

 

De terugkeer van bomen na de ijstijd

Na de laatste ijstijd, toen het ijs zich langzaam terugtrok, was Nederland een open, kale vlakte. De eerste bomen die terugkeerden waren de taaie pioniers: berk en den. Pas later volgden eik, linde, iep en hazelaar, die samen de grote oerbossen vormden die ooit bijna heel Nederland bedekten. Deze bossen waren rijk aan leven. Een zomereik bood voedsel en leefruimte aan 400–450 insectensoorten. Een wilg kon meer dan 300  insectensoorten ondersteunen en een berk ongeveer 250 soorten.

Die insecten voedden op hun beurt vogels, vleermuizen en kleine zoogdieren. Het was een landschap dat zichzelf had gevormd, zonder menselijke inmenging — een web van relaties dat duizenden jaren had kunnen groeien.

 

Het Romeins Klimaatoptimum en nieuwe boomsoorten

Rond de Romeinse tijd werd Europa warmer en droger — het Romeins Klimaatoptimum (200 v.Chr. tot 150 na Chr.). De Romeinen trokken noordwaarts en namen planten, zaden en bomen mee. Niet als invasieve soorten, maar als stille metgezellen van een cultuur die graag haar eigen landschap meebracht.

In hun villa’s en legerplaatsen plantten ze tamme kastanjes, walnoten en soms zelfs vijgen. Dankzij het warmere klimaat konden deze soorten goed gedijen. Sommige bleven binnen de nederzettingen, andere verspreidden zich langzaam in het omliggende landschap. Vanaf dat moment kwamen bomen niet alleen meer door natuurlijke verspreiding, maar ook door menselijke voorkeuren, handel en mode.

 

Ontbossing en cultuurlandschap in de middeleeuwen

Na de Romeinen volgden eeuwen van ontbossing. Bossen werden gekapt voor landbouw, scheepsbouw en brandstof. Het landschap werd opener, en bomen kregen een nieuwe rol: als knotwilgen langs watergangen, als hakhoutbosjes, als laanbomen rond buitenplaatsen. De mens werd beheerder van het bomenbestand — en soms ook bedenker ervan.

 

Wereldhandel en de komst van niet‑inheemse soorten

Vanaf de 17e eeuw, met de opkomst van wereldhandel, arriveerden steeds meer niet‑inheemse boomsoorten in Nederland. De paardenkastanje uit de Balkan, de plataan uit verre continenten, de Amerikaanse eik, de Robinia en later de Douglas uit Noord‑Amerika. Ze werden bewonderd om hun snelle groei, hun houtkwaliteit of hun sierwaarde. Maar ecologisch gezien waren het vreemdelingen.

Insecten herkennen een boom niet alleen aan zijn blad, maar aan duizenden jaren gedeelde evolutie. Een galwesp die precies weet hoe zij een zomereik moet benaderen, kan niets met een Amerikaanse eik. En waar een wilg honderden insectensoorten ondersteunt, biedt een plataan er maar een handvol. 

Minder insecten betekent minder voedsel voor vogels, minder nestgelegenheid en minder leven in de onderlaag van het bos. Een bos met veel exoten klinkt daardoor anders: stiller, minder gevarieerd, minder levendig. 

Toch zijn niet‑inheemse bomen niet waardeloos; sommige leveren nectar, andere verdragen stedelijke omstandigheden waar inheemse soorten moeite mee hebben. Het probleem is niet hun aanwezigheid, maar hun dominantie.

 

Na de Tweede Wereldoorlog: productiebossen en houtnood

Die dominantie nam nog verder toe in de twintigste eeuw. Een tweede grote verschuiving vond namelijk plaats na de Tweede Wereldoorlog. Nederland kampte met een enorm tekort aan hout voor wederopbouw, industrie en mijnbouw. De bestaande bossen waren zwaar overbelast en konden de vraag niet aan. Daarom werd gekozen voor snelgroeiende, productieve soorten, opnieuw vaak afkomstig uit Noord‑Amerika. Douglas, Amerikaanse eik en diverse naaldboomsoorten werden op grote schaal aangeplant in productiebossen.

Deze bossen leverden snel hout, maar waren ecologisch veel armer dan de inheemse soorten die ze vervingen. Het Nederlandse bosbeeld veranderde daardoor ingrijpend: rechte rijen, monoculturen en weinig ondergroei — efficiënt voor houtproductie, maar minder geschikt voor insecten, vogels en andere dieren.

 

Klimaatverandering en de toekomst van ons bomenlandschap

Vandaag leven we opnieuw in een tijd van klimaatverandering. Net als in de Romeinse periode schuift het klimaat op, en opnieuw denken we na over welke bomen hier kunnen groeien — en welke we willen laten groeien. Sommige soorten uit Zuid‑Europa lijken nu al beter bestand tegen droogte dan onze eigen beuken of sparren. Maar de les uit de geschiedenis is helder: een landschap dat alleen door mensen wordt ontworpen, verliest zijn ecologische diepte. 

Een landschap dat ruimte laat voor inheemse soorten, aangevuld met zorgvuldig gekozen nieuwkomers, blijft veerkrachtig.

Bomen vertellen ons dat verandering van alle tijden is. Maar ze laten ook zien dat elke keuze die wij maken — van de Romeinen tot nu — doorwerkt in de insecten die op hun bladeren leven, de vogels die in hun takken broeden en de dieren die in hun schaduw schuilen. 

Bronnen:

·  Behre, K.-E. (2007). A New Holocene Pollen Diagram from the Netherlands and the Development of the Landscape. Vegetation History and Archaeobotany.

· Brouwer, E., & Kuiters, A. (2017). Inheemse bomen en struiken in Nederland: ecologie en toepassing. Wageningen Environmental Research.

·  Ellenberg, H. (2009). Vegetation Ecology of Central Europe. Cambridge University Press.

·  Jansma, E. (1995). RemembeRINGs: The development and application of oak tree‑ring chronologies in the Netherlands.Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

· Kooistra, L. I., & Pals, J. P. (2014). Archaeobotany in the Netherlands: Roman and medieval plant remains. Journal of Archaeological Science.

·  Rackham, O. (2006). Woodlands. Collins New Naturalist Library.

·  Roy, D. B., et al. (2000). Insect-plant interactions and host specificity: the importance of native flora. Journal of Applied Ecology.

·  Smith, A. (2014). The Roman Agricultural Economy. Oxford University Press.

· Van der Linden, P., & Vos, P. (2020). Landschapsbiografie van Nederland. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

· Wallis de Vries, M. F., & Van Swaay, C. (2017). Inheemse bomen en biodiversiteit: waarom herkomst ertoe doet. De Vlinderstichting.

·  Willerding, U. (1986). The introduction of cultivated plants by the Romans in Central Europe. Vegetation History and Archaeobotany.

 Copyright © 2026. Alle rechten voorbehouden.

KVK-nummer: 42045837                                                                                           Privacyverklaring

Information icon

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.